Logo Pateo.nl English Deutsch Русский Image of Terra
Español Italiano 中文
Français Türkçe العربية

© Pateo.nl : Wholly Science - Johan Oldenkamp

Introductie Wholly Science Pateo TV Video’s Pateo Nieuwsbrieven Over
Nieuws Videocursus Pateo Radio Boeken Linkjes Donaties
Agenda Heelige Schrift TV PateoPedia Artikelen Meer Contact

De Echte Bijbel

Genesis 1:1 – 2:4a

De Schepping van het Paradijs

De Kleurrijke Biblos
2:4b Toen het ontstond, op de Dag waarop God de hemelen en de aarde maakte,
5 en elk groen veld voordat het op de aarde bestond, en al het gras der velden voordat het ontsprong, want God had niet op de aarde geregend, was er geen mens om het te bewerken.
6 Maar een bron kwam op vanuit de aarde, en het bewaterde het gehele aangezicht van de aarde.
7 En God vormde de mens, nemende stof van de aarde. En Hij ademde in zijn gezicht de levensadem. En de mens werd een levende ziel.
8 En God plantte het Paradijs in Edem overeenkomstig de rijzing, en plaatste daar de mens, die Hij had gevormd.
9 En God deed toen uit de aarde opkomen elke boom, mooi in verschijning en goed om te eten, en de Boom des Levens, in het midden van het Paradijs, en de Boom des Gewetens, wetende Goed en Kwaad.
10 En een rivier gaat voort vanuit Edem om het Paradijs te bewateren; van daar verdeelt het zich in vier oorsprongen.
11 De naam van de ene: Phison. Dit is degene die het hele land van Evilat omringt, waar er goud is.
12 En het goud van dat land is goed. En daar is ook de houtskool en de groene steen.
13 En de naam van de tweede rivier: Geon. Dit is degene die het hele land van Ethiopië omringt.
14 En de derde rivier: Tigris. Dit is degene die voortgaat tegenover de Assyriërs. En de vierde rivier: Eufraat.
15 En de Heere God nam de mens, die Hij had gevormd, en plaatste hem in het Paradijs, om het te bewerken en te bewaken.
16 En de Heere God instrueerde Adam, zeggende: “Van elke boom in het Paradijs zul je eten,
17 maar van de Boom van het Verwerven van Kennis van Goed en Kwaad, daarvan zul je niet eten; maar op de dag waarop je ervan gaat eten, zul je sterven tot de dood.”
18 En de Heere God zei: “Het is niet goed dat de mens alleen zou zijn; laten we hem een helper maken overeenkomstig hem.”
19 En God vormde toen uit de aarde al de wilde dieren van het veld, en alle vogels van de hemel. En Hij leidde ze naar Adam, om te zien wat hij hen zou noemen. En wat dan ook Adam iedere levende ziel noemde, dat was de naam ervan.
20 En Adam gaf namen aan al het vee, en aan alle vogels van de hemel, en aan alle wilde dieren van het veld; maar voor Adam was er geen helper gevonden lijkend op hem.
21 En God bracht verandering van toestand over Adam, en hij sliep. En Hij nam één kant van zijn lichaam, en vulde het op met vlees er tegenaan.
22 En de Heere God bouwde de zijde die Hij nam van Adam tot een gemalin. En Hij leidde haar naar Adam.
23 En Adam zei: “Dit nu is bot van mijn botten, en vlees van mijn vlees. Zij zal worden genoemd vrouw, omdat ze van de man is genomen.
24 Om deze reden zal een man zijn vader en zijn moeder achter laten, en zal zich hechten aan zijn gemalin; en de twee zullen als één vlees zijn.”
25 En de twee waren naakt, zowel Adam als zijn gemalin. En ze waren niet beschaamd.
3:1 Maar de slang was het meest bekwaam van alle wilde dieren, van degenen die de Heere God op de aarde had gemaakt. En de slang zei tegen de gemalin: “Waarom zei God: Op geen enkele wijze mag je eten van alle bomen van het Paradijs?”
2 En de gemalin zei: “Van vruchten van het woud van het Paradijs zullen wij eten,
3 maar van het fruit van de boom die in het midden van het Paradijs is, zei God: Eet er niet van, noch raak het aan, zodat je niet sterft.”
4 En de slang zei tot de gemalin: “Niet tot de dood zul je sterven,
5 want God weet dat op de dag waarop je daarvan zou eten, jouw ogen zullen worden geopend, en jij zult zijn als goden, wetende goed en kwaad.”
6 En de gemalin zag dat de boom goed was om te eten, en aangenaam voor de ogen om te zien, en mooi om te overpeinzen. En hebbende genomen de vrucht ervan, at zij, en zij gaf ook haar gemaal bij haar, en zij aten.
7 En de ogen van de twee werden geopend, en zij beseften dat zij naakt waren. En zij naaiden bladeren van een vijgenboom, en maakten zichzelf lendeschorten.
8 En wandelende in het Paradijs in de schemering hoorden zij de stem van de Heere God. En zowel Adam als zijn gemalin verborgen zich in het midden van het woud van het Paradijs voor het aangezicht van de Heere God.
9 En God riep Adam, en zei tegen hem: “Adam, waar ben je?”
10 En hij zei tot Hem: “Ik heb uw stem gehoord terwijl ik in het Paradijs wandelde, en ik vreesde, want ik ben naakt, en ik verborg me.”
11 En God zei tot hem: “Wie heeft je bekend gemaakt, dat je naakt bent, tenzij jij at van de Boom, waarvan ik jou heb geïnstrueerd ‘Alleen niet van deze eten’?”
12 En Adam zei: “De gemalin die U hebt gegeven om met mij te zijn, zij gaf mij van de Boom, en ik at.”
13 En de Heere God zei tegen de gemalin: “Waarom heb je dit gedaan?” En de gemalin zei: “De slang misleidde mij, en ik at.”
14 En de Heere God zei tot de slang: “Omdat je dit hebt gedaan ben je vervloekt van al het vee, en van al de wilde beesten van degene op de aarde. Op je borst en buik zul je gaan, en je zult de aarde eten al de dagen van jouw leven.
15 En ik zal vijandschap plaatsen tussen jou en de gemalin, en tussen jouw zaad en haar zaad. Zij zal jouw hoofd gadeslaan, en jij zult haar hak gadeslaan.”
16 En tot de gemalin zei Hij: “Ik zal verveelvoudigen jouw hartzeer en jouw gekreun. In pijn zul je kinderen baren, en je onderdanigheid aan je gemaal, en hij zal over je heersen.”
17 En aan Adam zei Hij: “Omdat jij hebt geluisterd naar de stem van jouw gemalin, en jij at van de Boom, waarover ik jou heb geïnstrueerd, zeggende ‘Niet ervan eten’, vervloekt is de bodem in jouw werken; in leed zul jij het eten, alle dagen van jouw leven.
18 Doornen en distels zullen tot jou opkomen, en jij zult het gras van het veld eten.
19 In het zweet van jouw aangezicht zul jij jouw brood eten, tot jij terugkeert in de aarde, van waaruit jij werd genomen. Want aarde ben jij, en tot aarde zul jij wederkeren.”
20 En Adam noemde de naam van zijn gemalin ‘Leven’, want zij was de moeder van al het leven.
21 En de Heere God maakte voor Adam en zijn gemalin kledingstukken van huid, en kleedde hen.
22 En God zei: “Zie, Adam is geworden als één van ons, te weten goed en kwaad. En nu, zou hij ieder moment zijn hand uit kunnen strekken, en van de Boom des Levens kunnen nemen, en kunnen eten, en zal leven tot in het Aeon.”
23 En de Heere God verdreef hem uit het Paradijs van toegeeflijkheid, om de aarde te bewerken van waaruit hij was genomen.
24 En Hij wierp Adam uit, en vestigde hem tegenover het Paradijs van toegeeflijkheid en beval de Cherubijn en het vlammende zwaard dat ronddraait om de weg af te schermen naar de Boom des Levens.

vorig verhaal

volgend verhaal


Dit tweede verhaal uit het boek Genesis, vertaald door Johan Oldenkamp, is ook beschikbaar in het Engels en Duits.

© Pateo.nl : Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 2019/09/03.